5.8.16

De dagen van de bluegrassliefde

'Het raasde in zijn hoofd. Vroegere gedachten, dromen, fantasieën, dingen die hij had gelezen, had gevoeld: er woei van alles door elkaar. Aan zijn vader dacht hij. Aan zijn moeder. Nog eens aan zijn vader. Aan zijn vrienden. Aan een brugklasvriendje. Aan een leraar. Aan twee of drie bekende mensen. Een presentator. Aan de zanger van een jongensgroep. Aan een oom. Aan Nina. Donna. Maar onder, tussen, over alles heen dacht hij aan Oliver. Aan hoe hij daar gestaan had, als een waterval, een rots. Hij zag weer voor zich hoe hij hem ontmoet had - achterwaarts, via een spiegel. Toen had hij het waarschijnlijk al gevoeld. En een brede glimlach schoof diep van binnenuit over Tycho's lippen.'
En:
'Er was al heel veel langer iets geweest wat hij maar niet had willen zien: zoals je op het strand kunt zitten en de mensen om je heen naar boven kunt zien wijzen - en je weet dat ze een vliegtuig zien, een vliegtuig met een sleep, een vliegtuig met een boodschap die voor iedereen te lezen is, maar nee, je kijkt niet, want je hebt geen zin.
Zo was er altijd iets geweest en hij had niet gekeken. Maar nu keek Tycho wel. Nu zag hij alles.
De hele brede hemel.'
De dagen van de bluegrassliefde / Edward van de Vendel (Querido) (p. 32-33)

No comments:

Post a Comment